Frits Heimans (1952).


De schilderijen van Frits Heimans zijn geïnspireerd door zijn leven als muzikant: verpauperde steden, nachten vol geluiden en geuren, en de liefde die soms zoet is, maar meestal zonder regels, een wereld vol tegenstrijdigheden, waarbij alledaagse zorgen worden weggetoeterd, de romantiek bedrieglijk is, en de beloning in natura. Alles is hier schijn: de lieflijkheid en de nabijheid. Maar soms ziet die wereld er toch wel mooi uit…


“ Op de middelbare school heb ik gekozen voor het spelen. Spelen was een fysieke en sociale uitdaging, reizen, op podia staan. Ook werd ik door de omgeving meer gestimuleerd om te spelen dan te schilderen.
Spelen is een eigen leven gaan leiden, heeft zich ontwikkeld van fanfare naar klassiek naar pop naar jazz. De grote liefde is jazz gebleven, daar zitten ook mijn eerste piekervaringen: ook al begreep ik totaal niet wat er gebeurde, het prikkelde mijn nieuwsgierigheid.
Al op het gymnasium in Den Haag kwam iedere confrontatie met kunst als een mokerslag binnen. Gezien van uit een prikkelarme omgeving thuis was de buitenwereld een grote wervelende maar ook gevaarlijke kermis.”


Studie psychologie aan de R.U. Leiden (1970-1977).
“Een universitaire studie leek mijn ouders de meest logische keuze. Psychologie was voor mij een alibi, een mooie uitvalsbasis om vooral veel andere dingen te doen.
Dat werd natuurlijk muziek, lang leve de psychologie”.


Studie saxofoon aan het Amsterdamse Sweelinck Conservatorium (1982-1988).
“Een droom kwam uit: altijd studeren, beter worden, in een laboratorium vol muzieknoten, nieuwe stukken uitproberen met gelijkgezinden, en ’s avonds optreden.”


Leven van de muziek.
“De liefde voor beeldende kunst bleef altijd wel heel groot; kijken, ervaren, de tegenpool van spelen. Landerigheid en tijdloosheid tegenover de snelheid en vluchtigheid van het spelen. Het gevoel op zaterdagochtend te repeteren in een lokaal waar het feest van de vorige avond maar net was afgelopen. De geur van verschraald bier en rook.
Sterke verhalen, levensgevaarlijke reizen terug door de nacht, studeren, repeteren, optreden. De vluchtigheid van een wankel gilde”.

Lang wachten op het schilderen.
“ik had ruimte in mijn hoofd nodig, de rust om alleen te zijn, om een idee ook echt uit te werken. Dat heb ik geleerd via de muziek, omdat componeren ook een lopende band is die je kan stilzetten. Bij het spelen liep die band vanzelf door. Als je gaat componeren moet je de diepte in, constant terug naar je beginpunt: wat wil ik eigenlijk, wat is mijn motivatie? Het gaat om het resultaat. Van daaruit was de overstap naar schilderen heel klein. Schilderen is ook componeren; lagen over elkaar aanbrengen, het concept bewaken en afstand nemen. En soms helemaal opnieuw beginnen”.


Autodidact.
“Het schilderen is heel onsystematisch ontstaan. Ik ben begonnen op een abstract niveau. Niet realistisch, maar vanuit de fantasiewereld die mijn gevoelsleven domineert. In de Nederlandse schilderkunst was Jeroen Bosch één van mijn voorbeelden, maar ook kindertekeningen, graffiti, in elk geval stijlen die sterke fantasie-elementen in zich hebben. Het gaat daar niet om de techniek, maar om de surrealistische context. Bijvoorbeeld graffiti in de metro, en kinderen die schilderen vanuit hun onderbewustzijn. Kindertekeningen zijn heel transparant. Voor mij is dat een kleine stap naar Cobra en Picasso. Zij zijn mijn grote bronnen. Als autodidact heb ik geprobeerd in die stijl te schilderen.”


Expressionisme.
“Ik schilder een variant van het expressionisme. Op een psychologische manier: het zijn niet alleen de beelden die de compositie helemaal bepalen maar ook de psychologische staat waarin de afgebeelde personen zich bevinden.
Bijvoorbeeld in “ Vreemde stad “ zie je een onmetelijke stad waar zich vier muzikanten bevinden op een dak. Het draait om de relatie die zij met elkaar hebben; daarbij staat de stad symbool voor het leven. Hierin nestelt zich een groepje personen die een vreemde relatie met elkaar hebben. De liefde tussen hen is voorwaardelijk. Relaties tussen mensen zijn altijd al heel voorwaardelijk, zowel in de liefde als in de muziek. Dat probeer ik uit te beelden.”


Andere thema’s.
“De nabijheid van leven en dood zit in mijn schilderijen. Mensen die levend zijn worden ook dood afgebeeld, zoals kinderen worden afgebeeld als volwassenen. Vergankelijkheid, fasen, structuren, het zijn lijnen die in mijn schilderijen doorlopen. Die psychologische gelaagdheid wordt door veel mensen als heftig ervaren, maar ik kan daar zelf heel goed mee omgaan. Als psycholoog ben ik er wel aan gewend.”